Radboudumc

print
Operatieve behandeling knieschijfinstabiliteit

Instabiliteit van de patella betekent dat de knieschijf naar buiten schiet (luxeert). Dit gebeurt meestal bij een gestrekte knie en geeft het gevoel dat men door de knie zakt. Het verschieten van de knieschijf is soms pijnlijk. Het gebeurt meestal niet op zeer jonge leeftijd maar wordt vaak wel veroorzaakt door een aangeboren afwijking aan het kniegewricht.

Oorzaken

Oorzaken van instabiliteit  van de knieschijf zijn meestal:

  • Een hoogstand van de knieschijf.
  • Onvoldoende ontwikkeling van het gootje in het bovenbeen waarin de knieschijf hoort te lopen.
  • Verworven instabiliteit; deze ontstaat door bijvoorbeeld een sportongeval waarbij de knieschijf is geluxeerd zonder dat er een afwijking aan het gewricht bestaat. Dit veroorzaakt een oprekking van de pees die de knieschijf op zijn plaats houdt.

De operatie

Voor de verschillende oorzaken zijn ook verschillende behandelingen met allen hetzelfde doel: het stabiliseren van de knieschijf zodat deze niet meer naar buiten schiet.

  • Bij hoogstand van de knieschijf kunnen we deze naar beneden verplaatsen. Dit doen we door een botstukje waar de kniepees aanhecht naar een lager punt op het onderbeen te plaatsen. Het botstukje waar de pees aanhecht, maken we los en zetten we deze op een lager punt met schroefjes vast, zie fig. 1.

  • Wanneer het gootje waarin de knieschijf hoort te lopen te ondiep is, wordt er een botwigje uit de bekkenkam genomen. Het wigje plaatsen we in een sneetje aan de vlakke kant van het gootje onder het kraakbeen. Het gootje wordt hierdoor dieper en houdt de knieschijf op zijn plaats, zie fig. 2.
     
  • Verworven instabiliteit wordt hersteld door de pees aan de binnenkant van de knieschijf die door de luxatie is opgerekt te herstellen. Dit doen we door een donorpees te halen van één van de drie hamstringpezen in hetzelfde been. Deze donorpees wordt dan geplaatst aan de binnenkant van de knieschijf op de plaats van de opgerekte pees en vastgehecht. Bij de operatie maken we drie kleine littekens, één aan de voorzijde van het onderbeen, één langs de knieschijf en een klein litteken aan de binnenzijde van de knie, zie fig.3.

De operatie duurt ongeveer een uur. De grootte van het litteken hangt af van de soort operatie (1, 2 of 3, of combinaties daarvan).
Aan de buitenzijde van dit litteken ontstaat altijd een doof aanvoelend gebied. Dit is het gevolg van het doorsnijden van kleine huidzenuwen. Het is niet te voorkomen en meestal keert het gevoel in de huid terug na een half tot een heel jaar.

Resultaat

Het resultaat van de operatie is dat de knieschijf niet meer luxeert en het kraakbeen niet verder beschadigd kan worden. Indien u voor de operatie pijnklachten had is niet zeker dat deze door de ingreep zijn verdwenen. Pijnklachten zijn namelijk meestal het gevolg van kraakbeenbeschadiging ontstaan door de luxatie(s).
Deze beschadiging kan niet ongedaan worden gemaakt.

Complicaties

Ondanks alle zorg die we besteden aan de operatie, kunnen er soms toch nog complicaties optreden zoals:

  • Infectie: hierdoor bestaat de kans dat de genezing langer duurt (kans van ± 1-2%).
  • De botstukken groeien niet aan elkaar (non-union), waardoor een tweede operatie nodig is (kans van 2%).
  • Trombose: er bestaat een risico op een afsluiting van een bloedvat met een bloedprop. U krijgt in het ziekenhuis medicijnen om trombose te voorkomen (kans van <5%).
  • Blijvende knieschijfinstabiliteit (kans van <10%).
  • Ongevoeligheid van de huid naast het litteken treed bijna altijd op en is vaak pas na 1 jaar verdwenen.