Nieuws en media De Nieuwe Mens De Nieuwe Mens is onbetaalbaar
Nieuwe technologie kan ons leven verbeteren. Maar wie gaat dat betalen? Het verbeteren van de zorg tegen lagere kosten is een taaie klus, bleek tijdens de laatste avond van De Nieuwe Mens.
 
Zelfopererende robots, slimme pleisters, digitale doktersassistenten: in de zorg wordt veel werk gemaakt van slimme innovaties. En die kunnen de zorg enorm verrijken, bleek wel in de zes eerdere avonden van De Nieuwe Mens. Maar vooralsnog maken innovaties de zorg ook duurder. Als je alleen al kijkt naar de verhouding tussen investeringen en opbrengst, is daar veel winst te behalen, vertelt Maroeska Rovers in ‘De Nieuwe Mens is onbetaalbaar’. Zo laat zij zien dat 80 procent van de zorginnovaties de markt nu niet haalt. En dat 70 procent van wat wel op de markt komt, na twee jaar alweer verdwenen is.
 
Waarde toevoegen
Maar ook de innovaties die wel de markt halen en daar blijven, zijn niet perse nuttig. Fabrikanten van medische hulpmiddelen zijn nu namelijk niet verplicht om te onderzoeken of hun product ook daadwerkelijk effectief is, of waarde toevoegt voor patiënten. Een bekend voorbeeld is de Da Vinci operatierobot, legt Rovers uit: ‘Het is alleen voor prostaatkanker bewezen dat het beter is, maar dan moet je er wel heel veel operaties mee doen. Maar een operatie met de Da Vinci is wel drie keer duurder dan wanneer de chirurg alles zelf zou doen.’ Toch is de Da Vincirobot populair bij artsen en patiënten, zegt Rovers: ‘Een chirurg ziet iets nieuws komen dat hem het leven makkelijker maakt, hij hoeft niet meer gebogen boven een patiënt te staan. De patiënt kent het uit de media en marketingcampagnes en vraagt erom. En zo doet zo’n apparaat zijn intrede. Sommige artsen geloven zelf echt dat het beter is, anderen gaan mee in de marketingcampagne.’
 
Vanaf 2020 gaan in Europa de regels veranderen, en moeten fabrikanten de effectiviteit van medische hulpmiddelen wel vooraf aan gaan tonen. Maroeska Rovers doet zelf onderzoek naar het zo vroeg mogelijk beoordelen van de toegevoegde waarde van een innovatie, maar is nog sceptisch of de nieuwe regels de situatie gaan verbeteren: ‘Er staat namelijk nergens gedefinieerd wat “effectiviteit” precies inhoudt. Een gevaar is dat alle bedrijven hun producten in Amerika gaan lanceren, met een FDA-keurmerk. Nederland met zijn lastige regels, kunnen ze gemakkelijk links laten liggen. We zijn immers maar een kleine markt.’
 
Dure medicijnen
In de ontwikkeling van medicijnen is het wel nodig om vooraf uitgebreid onderzoek te doen naar de veiligheid en de werking. Dit is een langdurig en kostbaar proces, wat farmaceutische bedrijven noodzaakt om een stevige prijs te rekenen voor een geneesmiddel zodra het eenmaal op de markt gebracht kan worden. Maar soms zijn deze prijzen wel heel erg hoog. Hans Büller, voorzitter van stichting Fair Medicine, probeert medicijnen tegen een lage en eerlijke prijs op de markt te krijgen. De stichting kreeg hiervoor in 2016 een subsidie van 2,8 miljoen euro van het ministerie van VWS.
 
‘In 1997 was ik getuige van de ontdekking van een nieuw medicijn tegen de ziekte van Pompe,’ vertelt Büller, ‘Ik was dolblij dat kinderen niet meer zouden doodgaan aan deze zeldzame stofwisselingsziekte. Maar een paar jaar later, in 2012, ontstond er landelijke discussie over de prijs van het medicijn. Die lag tussen de  400.000 en 700.000 euro per patiënt per jaar. Waarom starten we geen Europees consortium waarin we zelf medicijnen voor zeldzame ziektes gaan maken? Alleen dan blijven medicijnen beschikbaar voor iedereen en zijn we niet afhankelijk van grote farmaceutische industrieën die hun boeken gesloten houden.’ En dat is wat Büller met zijn stichting nu probeert.
  
Mythe
Omdat de ontwikkelingen van medicijnen duur is, en veel medicijnen de markt niet halen, zien veel farmaceuten zich genoodzaakte hoge prijzen te vragen, zeker voor geneesmiddelen waar maar weinig patiënten baat bij hebben. Büller betwijfelt deze redenering echt: ‘Er is nog nooit bewijs geleverd voor de mythe dat maar 1 op de 10 middelen de markt haalt, dat is echt een stokpaardje van de industrie. Het hangt maar net af van je definitie van de start van een potentieel nieuw geneesmiddel. Vijftig tot zestig procent van de medicijnen wordt in de universitair medische centra ontdekt.’
 
Onderhandelen
Ondanks alle initiatieven om kosten te besparen, zullen we de hoge zorgkosten met z’n allen moeten opvangen met onze zorgpremies. Zorgverzekeraars hebben ook wettelijk de taak om zorgkosten te verlagen. Een manier om dit te doen, is om zo scherp mogelijk te onderhandelen over de prijzen van geneesmiddelen en behandelingen. Zeker voor medicijnen is dit geen gemakkelijke opgave, legt zorginkoper Maarten Loof van VGZ uit: ‘Het ministerie van VWS bepaalt of een middel vergoed moet worden door de verzekering. Maar wij bepalen in welke ziekenhuizen we dat middel vergoeden en onder welke voorwaarden. En we onderhandelen met de ziekenhuizen over de prijs die we voor een middel betalen. Alleen als het echt om een heel duur middel gaat, dat veel impact op het zorgbudget gaat hebben, kan VWS zelf gaan onderhandelen met de fabrikanten.’
 
Onderzoek naar slimmer gebruik van geneesmiddelen, kan veel winst opleveren, vindt Loof: ‘Er zijn ontzettend veel voorbeelden van studies van optimaliseren van doseringen, maar de farmaceut wil daar bijna nooit aan meewerken. Zo loopt er nu een grote studie naar het optimaliseren van de dosis van twee heel dure middelen in de behandeling van melanomen, vanuit het Erasmus. Deze studie is mede gefinancierd door verzekeraars. Maar het is niet echt onze taak. Wij moeten zorg vergoeden, maar hoeven geen onderzoek te financieren. Maar als dat onderzoek uitzicht biedt op kostenverlaging, wordt het natuurlijk wel interessant. Dus we doen het wel, maar we zijn nog wel aan het nadenken over onze rol. Ook op landelijke niveau.’