Patientenzorg Behandelingen Beenamputatie Adviezen en oefeningen

Adviezen

De kans dat u valt is groter na het ondergaan van een beenamputatie. Door de amputatie is uw balans veranderd en ook de mogelijkheden om een balansverstoring op te vangen. Zorg er dus voor dat u zich zo veilig mogelijk verplaatst, zodat de kans dat u valt zo klein mogelijk is.

  • Lees hier onze adviezen voor een goede houding in bed en in de rolstoel.

    lees meer


    Adviezen voor houding en beweging

    • Wissel regelmatig van houding.
    • Zorg er bij een onderbeenamputatie voor dat u niet langdurig met uw knie gebogen zit.
    • Leg in bed geen rolletje / knik (van het bed) in uw knieholte.
    • Gebruik in de rolstoel altijd een stompplank zodat de knie in een gestrekte stand ligt.

  • Adviezen voor activiteiten met prothese

    We begeleiden u bij het veilig en zo natuurlijk mogelijk uitvoeren van uw dagelijkse activiteiten met een beenprothese. Een beenprothese is een hulpmiddel en vervangt niet de mogelijkheden van een eigen been. Een prothese heeft geen gevoel, waardoor u altijd goed moet kijken waar u uw voet neerzet. Door veel te oefenen kunt u uw vaardigheid in het gebruik van uw prothese vergroten.

    Hieronder leest u adviezen voor een aantal veelvoorkomende handelingen. Per handeling staat er beschreven hoe u deze het best kunt uitvoeren met het gebruik van een beenprothese.

    Opstaan uit een stoel

    Plaats uw gezonde voet onder de stoel. Als het nodig is kunt u een hand op de knie van uw gezonde been plaatsen of op een van beide armleuningen. Buig uw romp naar voren en ga staan door uw gezonde heup en knie te strekken. Als het nodig is kunt u weer een of beide handen op uw knie of de armleuning plaatsen. Breng het gewicht op uw (gestrekte) prothese en doe een stap voorwaarts met uw gezonde been.

    Trap oplopen

    Plaats uw gezonde voet op de eerste trede en breng het gewicht over op uw gezonde been. Strek uw gezonde heup en knie, zodat u uw prothesevoet naast uw gezonde voet kan plaatsen. Als dit goed gaat kunt u er ook voor kiezen om uw prothesevoet een trede hoger te zetten dan uw gezonde voet. Zorg ervoor dat u uw prothese ver genoeg naar achteren zwaait zodat uw prothesevoet niet blijft steken onder de opstaande rand van de trap.

    Trap aflopen

    Om te oefenen kunt u het beste beginnen op de een na onderste trede of op een oefentrap. Breng het gewicht op uw gezonde been. Zet uw prothese een trede lager, terwijl u uw gezonde heup en knie buigt. Zorg ervoor dat u op uw hak land en uw protheseknie goed strekt. Breng het gewicht over op uw prothese en zet daarna uw gezonde been naast het prothesebeen. Gaat dit goed, dan kunt u in plaats van uw gezonde voet bij te zetten ook uw gezonde voet een trede lager zetten dan uw prothesevoet.

    Helling oplopen

    Uw gezonde voet gaat eerst. Buig uw knie aan de geamputeerde zijde, terwijl u uw prothese vooruit plaatst. Neem een kortere prothesepas, net voorbij of tot aan uw gezonde voet. Strek uw heup en knie aan de geamputeerde zijde. De kortere prothesepas vergemakkelijkt de buigcontrole van uw protheseknie (bij een bovenbeenprothese), en maakt het gemakkelijker om het lichaamsgewicht over uw prothese heen te brengen. Gaat dit goed en gecontroleerd, dan kunt u proberen de lengte van de pas gelijk te maken.

    Helling aflopen (amputatie door het bovenbeen)

    Uw prothese gaat eerst. Maak een wat kortere stap dan normaal. Strek uw protheseknie goed. Zwaai uw gezonde been voorwaarts en ontspan de geamputeerde zijde, zodat uw protheseknie gebogen kan worden, wanneer uw gezonde been passeert. En land weer op het gezonde been. Probeer er naartoe te werken dat de paslengtes gelijk worden.

    Iets oprapen

    Plaats uw gezonde voet voor uw prothesevoet. Verplaats het gewicht op uw gezonde been. Buig in uw lenden, heup en gezonde knie. Bij een transfemorale amputatie kan uw protheseknie gestrekt blijven of meebuigen. Raap het voorwerp op en kom tot rechtstaande houding door beide heupen en uw gezonde knie te strekken. Bij een amputatie door uw onderbeen kunt u er ook voor kiezen om beide benen naast elkaar te zetten en door uw knieën te buigen. Let er wel op dat u uw rug recht houdt.

    Knielen (amputatie door het bovenbeen)

    Plaats uw gezonde voet voor uw prothesevoet. Houd uw protheseknie goed gestrekt. Breng het gewicht op uw gezonde been. Buig beide knieën om uw protheseknie op de grond te kunnen plaatsen. Als deze gebogen is, schuift de voorvoet van uw prothese achterwaarts over de vloer. Houd uw protheseknie goed gebogen en het gewicht naar achteren om voorwaarts vallen te voorkomen. Bij het rechtop komen plaatst u uw gezonde voet plat op de grond. Buig voorwaarts in uw lenden. Strek heup en knie van uw gezonde been. Plaats als het nodig is uw handen op uw gezonde dij en duw hierop om rechtop te komen. Bij het rechtop komen brengt u uw prothesevoet voorwaarts, zodat hij net achter uw gezonde voet komt.

    Zitten op de grond (amputatie door het onderbeen)

    Plaats uw prothese naar voren. Breng het gewicht op uw gezonde been. Draai uw romp naar de gezonde zijde; buig in uw lenden, beide heupen en knieën. Zak verder door en plaats uw hand van de gezonde zijde op de vloer. Deze elleboog moet gestrekt zijn. Breng uw lichaam verder naar de vloer toe en ga op uw gezonde bil zitten. Draai om zodat u volledig kunt zitten. Voor ouderen is de volgende procedure veiliger. Plaats uw gezonde voet voor de prothese. Gezicht naar voren en doorzakken en beide handen plaatsen. Laat uw lichaam verder zakken, maak een kwart draai naar de gezonde zijde en ga op de grond en bil zitten. Draai verder door en ga op het hele zitvlak zitten.

    Opstaan van de grond

    Omdraaien over niet-prothesebeen. Tot handen- en knieënstand komen. Opdrukken op handen en gezonde been.

  • Adviezen voor activiteiten zonder prothese

    Onderstaande instructies zijn ook te gebruiken voor het verplaatsen naar het toilet of vergelijkbare handelingen. De ruimte tussen uw bed en uw rolstoel wordt eventueel opgevuld met een kussentje of molton.

    Van bed naar rolstoel met een hulpmiddel

    • De stoel staat bij voorkeur aan de kant van uw niet-geamputeerde been naast het bed. Zorg dat de de rugleuning van de stoel naast het hoofdeinde van het bed staat.
    • De beensteun en stompsteun (aan de bedzijde) zijn verwijderd of weggeklapt (bij een rolstoel) en de rolstoel staat op de rem.
    • U komt aan de niet-geamputeerde zijde op de rand van het bed zitten.
    • U schuift zover naar voren dat uw voet op de grond staat.
    • U komt naar voren met uw romp en duwt zich op met uw armen en uw niet-geamputeerde been. U komt staan en pakt het loophulpmiddel vast om recht te gaan staan.
    • Steun op het hulpmiddel en stap naar de rolstoel. Zorg dat u de rolstoel voelt in uw knieholten.
    • Verplaats een hand van het hulpmiddel naar de leuning van de rolstoel.
    • Ga langzaam zitten.
    • De beensteun en stompsteun kunt u weer bevestigen of terugklappen (bij een rolstoel).

    Van rolstoel naar bed met hulpmiddel

    • Dezelfde handelingen als hierboven, maar dan in omgekeerde volgorde.

    Van bed naar rolstoel zonder hulpmiddel

    • De rolstoel staat bij voorkeur aan de kant van uw niet-geamputeerde been naast het bed. Zorg dat de rugleuning naast het voeteneinde staat of aan de geamputeerde zijde met de rugleuning naast het hoofdeinde.
    • De armlegger en stompsteun (aan de bedzijde) zijn verwijderd (bij een rolstoel) en de rolstoel staat op de rem.
    • U komt op de rand van het bed zitten.
    • U schuift zover naar voren zodat uw voet op de grond staat.
    • U steunt op uw armen en been en verplaatst zich zijwaarts tot in de rolstoel. Draai hierbij naar de geamputeerde zijde toe.
    • De armlegger en stompsteun kunt u weer bevestigen (bij een rolstoel).

    Van rolstoel naar bed zonder hulpmiddel

    • Zet de rolstoel zo dat u opnieuw een draai naar de geamputeerde zijde toe kunt maken.
    • Dezelfde handelingen als hierboven, maar dan in omgekeerde volgorde.

    Traplopen

    Met een trapleuning

    Trap op
    • U staat dicht bij de trapleuning.
    • Houd een hand aan de leuning en de twee stokken in de andere hand.
    • De steunende stok houdt u verticaal en de andere stok horizontaal.
    • Steunend op de trapleuning en op een stok verplaatst u uw voet naar de hogere trede.
    • Stok bijzetten.
    Trap af
    • Plaats de stok een trede lager.
    • Verplaats nu uw been naar de lagere trede terwijl u steunt op de stok en de leuning.
    Zonder trapleuning

    Trap op
    • U staat dicht bij de trapleuning.
    • Houd de stokken goed vast en plaats ze op gelijke hoogte als uzelf.
    • Steunend op de stokken verplaatst u uw voet naar de hogere trede.
    • Zet de stokken bij.
    Trap af
    • Plaats de stokken een trede lager.
    • Verplaats nu uw been naar de lagere trede terwijl u steunt op de stokken.

Mobiliteits­oefeningen

Bij het leren lopen met een prothese is uw mobiliteit (lenigheid) belangrijk. We raden u daarom aan om deze (huiswerk)oefeningen met regelmaat uit te voeren.

lees meer

Mobiliteits­oefeningen

Bij het leren lopen met een prothese is uw mobiliteit (lenigheid) belangrijk. Om een zo normaal mogelijk looppatroon te krijgen aan het eind van het revalidatietraject, is het belangrijk om uw been ver genoeg naar achter te kunnen zwaaien en om de knie volledig te strekken. Spierverkorting en spierverstijving, met als gevolg een verminderde bewegingsuitslag en/of standverandering van het gewricht (= contracturen), zijn makkelijker te voorkomen dan te verhelpen. We raden u daarom aan om deze (huiswerk)oefeningen met regelmaat uit te voeren. Uw fysiotherapeut heeft een aantal oefeningen voor u geselecteerd. Bij elke oefening vindt u een instructie.


  • Oefening 1: buikligging

    • Ga 2 x per dag een half uur op uw buik liggen.
    • Om de rek op de voorzijde van uw heup te vergroten kunt u een (breed) rolletje net boven uw knie (bij een amputatie door het onderbeen) of onder het uiteinde van de stomp (bij een amputatie door het bovenbeen) leggen.
    Oefening 2: mobiliteit van uw heupgewricht
    • Ga op uw zij liggen, op de niet-geamputeerde kant.
    • Buig uw niet-geamputeerde zijde in zowel heup als knie zodat u stabiel ligt.
    • U mag uw armen gebruiken om steun te nemen op de ondergrond.
    • Beweeg nu uw stomp zo ver mogelijk naar achteren, daarna naar opzij (naar het plafond), vervolgens naar voren en dan weer terug naar de beginpositie.
    • Breng uw stomp weer terug naar de beginpositie.
    • Herhaal de oefening 10 keer.


Kracht­oefeningen

De onderstaande oefeningen zijn krachtoefeningen voor uw benen, met name voor het geamputeerde been. In de beginfase zijn de oefeningen bedoeld om spierafbraak tegen te gaan.

lees meer

Kracht­oefeningen

De onderstaande oefeningen zijn krachtoefeningen voor uw benen, met name voor het geamputeerde been. In de beginfase zijn de oefeningen bedoeld om spierafbraak tegen te gaan. Naarmate de behandelingen vorderen is het doel van de oefeningen om spieren op te bouwen.


  • Oefening 1: Krachtoefening zijkant been- en bilspieren met behulp van een theraband

    • Ga op uw zij liggen, op de niet-geamputeerde kant.
    • Maak een lus van de Theraband en leg hem om uw niet-geamputeerde been en uw stomp.
    • Buig uw niet-geamputeerde zijde in zowel heup als knie zodat u stabiel ligt.
    • U mag uw armen gebruiken om steunen op de ondergrond.
    • Beweeg nu uw stomp zo ver mogelijk naar achteren, daarna naar opzij (naar het plafond), en vervolgens naar binnen (naar de matras toe).
    • Zorg ervoor dat uw bekken hierbij stabiel blijft liggen.
    • Herhaal deze beweging 10 keer.
    • Breng de stomp weer terug naar de beginpositie.
    • Neem een rustpauze van 30 seconden.
    • Herhaal de oefening 3 keer.
    Oefening 2: Krachtoefening achterkant been- en bilspieren
    • Zorg voor een comfortabele houding in buikligging.
    • Laat uw niet-geamputeerde been op de onderlaag rusten.
    • Til uw stomp op zo ver als u kunt, zorg er wel voor dat uw bekken contact houdt met de onderlaag.
    • Herhaal deze beweging 10 keer.
    • Neem een rustpauze van 30 seconden.
    • Herhaal de oefening 3 keer.
    Oefening 3: Krachtoefening van de spieren aan de binnenkant van uw been.
    • Ga op uw zij liggen, op de kant van de stomp.
    • Zet uw bovenste been iets voor u neer en zorg dat uw voet op de onderlaag voor u rust.
    • Til uw stomp zo ver mogelijk van de onderlaag af.
    • Breng uw been weer terug naar de beginpositie.
    • Herhaal deze beweging 10 keer.
    • Neem een rustpauze van 30 seconden.
    • Herhaal de oefening 3 keer.
    Oefening 4: Krachtoefening binnenkant benen met behulp van een handdoek
    • Zorg voor een comfortabele houding in rugligging.
    • Rol een handdoek op.
    • Leg de opgerolde handdoek zo laag mogelijk tussen uw benen.
    • Duw nu de handdoek zoveel mogelijk samen. U geeft dus zoveel mogelijk druk naar binnen.
    • Houd deze druk 10 seconden vast.
    • Herhaal deze beweging 10 keer.
    • Neem een rustpauze van 30 seconden.
    • Herhaal de oefening 3 keer.


Basisprothese oefeningen

Lees hier welke basisoefeningen u kunt doen met uw basisprothese.

lees meer

Basisprothese oefeningen


  • Breng het gewicht van uw niet-geamputeerde been naar uw geamputeerde been. Zorg ervoor dat u uiteindelijk evenveel op beide benen staat en dat u uw gewicht verdeeld over uw gehele voet. Steun eventueel met uw armen op de brug. Zorg er dan voor dat u symmetrische steun neemt (met allebei de armen evenveel steunen).
     


Trainings­programma

Trainingsprogramma voor het cardiovasculair uithoudingsvermogen en balanstraining.

lees meer

Trainings­programma


  • Cardiovasculair uithoudingsvermogen (conditie) is de toestand van het hart en het bloedvatensysteem en de mogelijkheid die dit systeem heeft om bloed en zuurstof te leveren aan de spieren. Om het cardiovasculaire uithoudingsvermogen te trainen, wordt er binnen de amputatiegroep in fase 1 gebruik gemaakt van de armergometer en de roei-ergometer. In fase 2 kan er ook gebruik worden gemaakt van de fietsergometer. Afhankelijk van het doel, kunt u trainen aan de hand van uw maximale hartslag.

    Doel trainingsgebied (van de maximale hartslag):

    1. Vetverbranding (aëroob) 60% -70%
    2. Cardiovasculair duuruithoudingsvermogen (aëroob) 70% - 80%
    3. Cardiovasculair duuruithoudingsvermogen (anaëroob) > 80%
    Voor cardiovasculair uithoudingsvermogen is het dus de bedoeling dat u traint op 80% van uw maximale hartslag. De trainingsduur en trainingsweerstand wordt gedurende de training langzaam opgeschroefd.
    Het omslagpunt van het anaërobe en het aërobe energie-systeem ligt rond een belastingsduur van 3 minuten. Dus 3 minuten is de minimale trainingsduur en we houden 10 minuten aan als maximale trainingsduur.

    Maximale hartslag = 220 – leeftijd

    Hoe meet u uw hartslag?

    Deze kunt u het beste meten bij uw rechter pols. Leg de middelste 3 vingers op de polsslag en tel gedurende 30 seconden het aantal polsslagen. Vermenigvuldig het aantal polsslagen met 2. Om te weten of u in de goede, aërobe hartslagzone traint, kunt u gebruik maken van de praattest: kunt u nog praten tijdens de inspanning dan kan uw lichaam de belasting goed aan en traint u zeer waarschijnlijk onder de 80% van uw maximale hartslag.