Patientenzorg Behandelingen Medicatie bij een beroerte

Over de medicatie

Bij een beroerte kunnen we een aantal specifieke medicijnen voorschrijven. Deze medicijnen kunnen de werking van andere medicijnen verminderen of versterken. Informeer daarom altijd uw huisarts, apotheek en eventueel de trombosedienst welke medicatie u gebruikt.

Contact

Polikliniek Neurologie
Bereikbaar van 8.00-17.00 uur

(024) 361 66 00
contact

Soorten medicijnen

We zetten verschillende medicijnen in voor verschillende doelen.

  • Sommige (tand)artsen willen dat u de acetylsalicylzuur of carbasalaatcalcium enkele dagen stopt voordat er bijvoorbeeld een tand wordt getrokken. Dit mag u nooit doen.

    lees meer


    Antistolling tijdelijk stoppen

    Sommige (tand)artsen willen dat u de acetylsalicylzuur of carbasalaatcalcium enkele dagen stopt voordat er bijvoorbeeld een tand wordt getrokken. Dit mag u nooit doen. Het risico op een herhaling van een beroerte is vele malen ernstiger dan een wond(je) dat iets langer bloedt dan normaal. Dit geldt ook voor eventuele ingrepen/operaties. Stoppen mag alleen na overleg met de neuroloog. Wel mag u vijf dagen stoppen met persantin voor bijvoorbeeld het trekken van een tand of een operatie. U kunt voor vragen altijd contact opnemen met de verpleegkundig specialist van de nazorgpoli.

  • Remming van bloedplaatjes

    Om na een TIA of een herseninfarct een verhoogde kans op herhaling te verlagen, schrijven we medicijnen voor die de werking van bloedplaatjes beïnvloeden. Daardoor wordt de vorming van bloedstolsels in de bloedvaten tegengegaan en kunnen de bloedvaten niet opnieuw verstopt raken. De remmende werking op de vorming van bloedstolsels begint direct na inname en is na enkele dagen gebruik optimaal. Het lichaam maakt voortdurend nieuwe bloedcellen aan die weer kunnen samenklonteren. Daarom is het belangrijk dat u het medicijn iedere dag inneemt. Voorbeelden van medicijnen die bloedplaatjes remmen zijn:
    • Carbasalaatcalcium (ascal)/Acetylsalicylzuur cardio
    • Dipyridamol (persantin)

  • Bloedverdunners

    Antistollingsmiddelen, ook wel bloedverdunners genoemd, zijn middelen die de bloedstolling verminderen. Dit zorgt ervoor dat het bloedvat niet opnieuw verstopt raakt door de vorming van een bloedstolsel. Deze middelen verhogen echter de kans op bloedingen. Daarom komt de dosering erg nauw. Acenocoumarol (sintrom) is bijvoorbeeld een bloedverdunner.   

  • Cholesterolverlagende middelen

    Cholesterol is een vetachtige stof die een belangrijke rol speelt in het vervoer en de verwerking van vet door ons lichaam. Cholesterol wordt in de lever gemaakt, maar we nemen het ook in via ons voedsel. Een te hoog cholesterolgehalte kan ontstaan als de lever te veel aanmaakt of omdat we te vet eten, of beide.

    Cholesterolverlagende medicatie noemen we ook wel cholesterolsyntheseremmers of statines. Het remt de aanmaak van cholesterol in de lever en verlaagt het cholesterol- en vetgehalte in het bloed. Naast de medicatie adviseren we een cholesterolverlagend dieet te volgen. Mensen die met statines hun te hoge cholesterolgehalte hebben verlaagd, blijken minder hart- en vaatziektes, zoals hartinfarcten of beroertes te krijgen. 

  • Bloeddrukverlagende medicatie

    Bloeddrukverlagende middelen hebben een gunstig effect op de doorbloeding, hartritmestoornissen en hoge bloeddruk. Deze medicijnen vertragen de hartslag zodat het hart rustiger pompt. Ze verwijden ook de bloedvaten. Hierdoor daalt de bloeddruk en is er minder kans op een beroerte. Bloeddrukverlagende middelen schrijven we vaak in combinatie met andere medicijnen voor, zoals plastabletten. Bepaalde bloeddrukverlagende medicijnen beïnvloeden namelijk ook de uitscheiding van natrium (zout) in de urine. 

    Bloeddrukverlagende middelen en pijnstillers

    Bepaalde pijnstillers kunnen de werking van bloeddrukverlagende medicijnen bij hoge bloeddruk en hartfalen verminderen. Als u klachten krijgt van meer vermoeidheid, benauwdheid of dikke enkels, neem dan contact op met uw arts.

    Bloeddrukverlagende middelen en diabetes

    Gebruikt u naast bloeddrukverlagende medicijnen ook glucoseverlagende middelen? Dan voelt u minder snel dat u een laag glucosegehalte in uw bloed (hypo) hebt. Dit komt doordat bloeddrukverlagende middelen waarschuwende signalen zoals trillen en hartkloppingen onderdrukken. Let daarom op andere verschijnselen die wijzen op een hypo zoals zweten, wazig zien en hongergevoel.

    Voorbeelden van bloeddrukverlagende medicijnen zijn:

    • Bètablokkers ( o.a metoprolol,atenolol, selokeen)
    • ACE-remmers (o.a. Lisinopril, captopril, enalapril)

  • Plastabletten

    Plastabletten voeren overtollig vocht af en verlagen daardoor de bloeddruk. Artsen schrijven het middel voor bij hoge bloeddruk en hartfalen. Door de tabletten scheiden de nieren meer zout uit. Het zout trekt het vocht mee: hierdoor wordt het overtollige vocht afgevoerd via de urine. U kunt dit merken doordat u misschien iets vaker moet plassen. Hydrochloorthiazide is bijvoorbeeld een plastablet. 
     

Afdeling Neurologie

De afdeling Neurologie houdt zich bezig met diagnose en behandeling van aandoeningen in de hersenen.

lees meer