De neustrilhaarscan moest vroeger laten zien of de trilhaartjes in de neus goed functioneren en snot netjes opruimen. De scanner volgde daarvoor de beweging van een radioactief druppeltje in de neus. Maar het resultaat was zelden duidelijk. En daarbij: 'Eén keer niezen, en de scan was mislukt.'
Hele tapijten van miljoenen microscopisch kleine neustrilharen doen, in de woorden van kinderlongarts Jolt Roukema van het Radboudumc, 'vijftien keer per seconde de wave.' Met die golvende bewegingen voeren ze slijm af naar de keelholte, met een snelheid van ongeveer acht millimeter per minuut. Dat slijm zit vol stof en ziekteverwekkers, en kan dan netjes worden doorgeslikt of opgehoest. Resultaat: vijf keer per uur een keurig schone neus.
Maar bij sommige mensen werken die trilharen al vanaf de geboorte niet goed. Hoe kom je daar achter? 'Vroeger deden we een neustrilhaarscan', vertelt Martin Engels, de gepensioneerde laborant die veertig jaar lang scans begeleidde in het Radboudumc. 'De patiënt kreeg dan een minuscuul druppeltje licht radioactieve vloeistof in de neus. Met een scanner konden we de radioactiviteit meten en zo volgen of de neustrilhaartjes het druppeltje netjes richting de keelholte werkten.'
Voor deze scan moest de patiënt twintig minuten doodstil blijven zitten. Aangezien de scan bijna alleen werd uitgevoerd bij kinderen, bleek dat nogal eens een uitdaging. Engels: 'En daarbij: één keer niezen, en de scan was mislukt. Het ging daarom niet vaak goed.'
Aangeboren afwijking
'Maar zelfs als de scan goed werd uitgevoerd, was deze helaas niet altijd bruikbaar', zegt Roukema. 'Als je de druppel netjes en vlot zag verplaatsen, dan kon je concluderen dat de trilhaartjes in orde waren en werd een afwijking aan de trilharen veel minder waarschijnlijk. Maar bewoog de druppel niet, dan wist je nog niet wat er aan de hand was.'
Als de trilhaartjes niet of minder bewegen, betekent dat namelijk niet automatisch dat er een erfelijke en dus aangeboren afwijking onder ligt, een zogenaamde primaire ciliaire diskinesie. Het kan ook zijn dat iemand simpelweg verkouden is, of dat net is geweest. Door een virus bewegen de trilhaartjes blijkbaar ook minder goed en dat effect kan enkele weken aanhouden.
Dwarsdoorsnede door de bovenste laag van het neusslijmvlies. De microscopische haartjes boven op de cellen maken vijf keer per uur netjes de neus schoon.
Bewegende trilhaartjes onder de microscoop
Inmiddels is de neustrilhaarscan daarom vervangen door andere testen. Dat begint met een gesprek en lichamelijk onderzoek: mensen met trilhaarproblemen kampen vaak met hoesten, verkoudheid en oorontstekingen. Dan volgt een blaastest, omdat bij trilhaarissues de uitgeblazen lucht vaak afwijkt. Een genetische test is ook belangrijk, want fouten in wel 55 verschillende genen kunnen afwijkende trilharen veroorzaken. Inmiddels geeft genetisch onderzoek bij ongeveer zeventig procent van de mensen met een aangeboren trilhaarprobleem uitsluitsel. Soms is een biopt van het neusslijmvlies nodig in een gespecialiseerd centrum, en belanden de cellen met trilhaartjes onder een microscoop voor een nauwkeurige video-opname van hun bewegingen.
Toch geeft volgens Roukema een enkele test zelden honderd procent zekerheid en is er daarom bijna altijd een combinatie nodig. Als het dan nog steeds lastig is om de diagnose te stellen, denkt Roukema wel eens terug aan de neustrilhaarscan. 'Een weinig belastende scan die problemen vrij goed kon uitsluiten, ik vond die scan zo gek nog niet.'
Beeld bovenaan dit bericht: Inmiddels gepensioneerd laborant Martin Engels begeleidde veertig jaar lang scans in het Radboudumc. Hier bij de gammacamera, waarmee hij ook de neustrilhaarscan uitvoerde. Fotograaf Jan van Teeffelen, 1989.
Dit artikel is onderdeel van een serie over ontwikkelingen in medisch onderzoek, in het kader van het jubileum 75 jaar Medische Faculteit / 70 jaar Radboudumc. Bezoek voor meer info onze jubileumpagina.
-
Meer weten over deze onderwerpen? Klik dan via onderstaande buttons door naar meer nieuws.





