Behandeling Keizersnede


Wat is een keizersnede

Een keizersnede is een operatie waarbij het kindje via je buikwand wordt geboren.

lees meer

Wat is een keizersnede

Een keizersnede is een operatie waarbij het kind via je buikwand wordt geboren. De operatie duurt ongeveer 45 minuten. De baby wordt meestal binnen een kwartier geboren. Daarna maakt de gynaecoloog de baarmoeder en de buik met hechtingen dicht.
 

Redenen voor een keizersnede

Bij een keizersnede kunnen complicaties optreden. Daarom adviseert de gynaecoloog adviseert een keizersnede alleen als:
  • een bevalling via de vagina niet mogelijk is;
  • een vaginale bevalling voor jou en/of je kindje risicovol is.

Een geplande keizersnede

Soms is al vóór de bevalling duidelijk dat een keizersnede nodig is. Bijvoorbeeld als je een operatie hebt gehad vanwege een ernstige verzakking. Meestal wordt tijdens de zwangerschap duidelijk dat een keizersnede nodig is, bijvoorbeeld:
  • als de placenta (moederkoek) voor de baarmoedermond ligt
  • als een vleesboom de indaling van het kind verhindert
  • als er complicaties zijn, zoals een placenta die onvoldoende werkt
Een geplande keizersnede noemen we ook wel een primaire keizersnede.
 

Een keizersnede tijdens de bevalling

Vaak wordt pas tijdens de bevalling duidelijk dat een keizersnede nodig is. Dit noemen we een secundaire keizersnede. We doen dit bijvoorbeeld als de bevalling lang duurt en/of het kindje te weinig zuurstof krijgt.  

Contact


Afdeling Verloskunde en Gynaecologie
(024) 361 47 88


Voorbereiden op een geplande keizersnede

Krijg je een geplande keizersnede? Dan kijken we vooraf hoe gezond je bent. We stellen vragen en doen lichamelijk onderzoek.

lees meer

Voorbereiden op een geplande keizersnede

Krijg je een geplande keizersnede? Dan kijken we vooraf hoe gezond je bent. We stellen vragen en vaak doen we lichamelijk onderzoek, zoals het luisteren naar hart en longen. Verder doen we bloedonderzoek en bespreekt de gynaecoloog of anesthesist of je onder narcose wil of een ruggenprik. Soms kun je vooraf al een kijkje nemen op de afdeling waar je komt te liggen en krijg je informatie van de verpleegkundige.
 

Dag van de operatie

Op de dag van de operatie moet je nuchter zijn: je mag 4 tot 6 uur voor de operatie niets meer eten en drinken. Op de afdeling krijg je een operatiehemd aan. De verpleegkundige geeft je een infuus en een urinekatheter. Kort voor de operatie brengt een verpleegkundige je naar de operatieafdeling. Je mag dan geen sieraden, haarspelden, contactlenzen of make-up dragen.
 

Twee soorten verdoving

Bij een keizersnede zijn twee soorten verdoving mogelijk: narcose en reen ruggenprik. De keuze hangt af van:
  • de reden voor de keizersnede
  • hoeveel spoed er is
Heb je een voorkeur, vertel het je arts voor de operatie.
 

Narcose

Bij narcose slaap je tijdens de keizersnede. De narcose wordt zo gegeven dat de baby via de placenta zo min mogelijk medicijnen (zoals inslaapmiddelen en pijnstillers) krijgt. De medicijnen voor de narcose spuiten we via een infuus in. Soms krijg je vooraf wat zuurstof via een kapje of slangetje in je neus. Terwijl je slaapt krijg je een buisje in je luchtpijp voor de beademing. Je voelt geen pijn en wordt wakker als de operatie klaar is en de baby geboren is.
 

Ruggenprik

Bij een ruggenprik spuit de anesthesist verdovende vloeistof tussen je ruggenwervels. Meestal verdooft hij de huid eerst plaatselijk. Vaak voel je nauwelijks iets van de ruggenprik zelf. Al snel heb je geen gevoel meer in je onderlichaam en benen. Soms kun je even misselijk zijn. Dit komt door het dalen van je bloeddruk. Bij een ruggenprik maak je de geboorte van je kind bewust mee. Tijdens de operatie kun je je kindje zien, horen en aanraken. Je hebt tijdens de operatie geen pijn. Wel voel je soms dat er getrokken wordt of dat de arts op je buik duwt. Soms komt de verdoving iets hoger dan alleen je onderlichaam. Het lijkt dan of ademhalen moeilijk gaat. Dit is vervelend, maar het kan geen kwaad.

Wat kun je verwachten?

Een keizersnede kan horizontaal gemaakt worden (bikinisnede) of vertikaal (van de navel naar beneden).

lees meer

Wat kun je verwachten?

Bijna altijd maakt de gynaecoloog een 'bikinisnede'. Dit is een horizontale (dwarse) snede van 10 of 15 centimeter vlak boven je schaambeen, ongeveer rond de haargrens. Soms maakt de arts een snede van de navel naar beneden. Na de snede in de huid snijdt de gynaecoloog het vet onder de huid en een laag verstevigend bindweefsel boven de buikspieren door.

De lange buikspieren lopen van de ribbenboog naar beneden. Die schuift de arts opzij, en vervolgens opent de gynaecoloog de buikholte. De blaas ligt voor een deel over baarmoeder heen. De blaas wordt losgemaakt van de baarmoeder en naar beneden geschoven. Daarna maakt de gynaecoloog een dwarse snede in de baarmoeder en haalt je kindje naar buiten. Vaak drukt hij daarbij op je buik.

Geboorte

Als je kindje geboren is, wordt de navelstreng doorgeknipt. Alles moet steriel blijven. Daarom mag de vader dit niet zelf doen, zoals bij een normale bevalling. Na het doorknippen van de navelstreng krijg je via het infuus antibiotica en een medicijn om de baarmoeder te laten samentrekken. Als de placenta geboren is, hecht de gynaecoloog de baarmoeder en de verschillende lagen van je buik.

Wie mag er bij een keizersnede aanwezig zijn?

Bij een ruggenprik mag je partner bij de keizersnede aanwezig zijn. Als je narcose krijgt, is je partner niet op de operatiekamer. Je partner is in de ruimte ernaast aanwezig waar het kindje nagekeken wordt. Foto's maken mag. Tijdens de keizersnede kun je soms meekijken met de geboorte van je kind op een televisiescherm. Wil je dit, bespreek dit dan ruim voor de operatie met de gynaecoloog.

Na de keizersnede

Vaak onderzoekt de kinderarts jouw kind direct na de geboorte. Daarna mag het kind naar je toe en wordt het kind in de couveuse gelegd.

lees meer

Na de keizersnede

Vaak onderzoekt de kinderarts je kindje direct na de geboorte. Daarna mag het kind naar je toe of wordt het in de couveuse gelegd. Dit hangt af van de reden voor de keizersnede, de zwangerschapsduur en hoe het met je kindje gaat.

Controles 

Na een keizersnede controleren we regelmatig je bloeddruk, polsslag, bloedverlies en hoeveel je plast. Via het infuus krijg je vocht toegediend. Bij een ruggenprik heb je een paar uur na de operatie nog geen controle over je benen. Langzaam komt het gevoel en de kracht in je benen terug.

Blaaskatheter

De blaaskatheter die de urine afvoert, geeft soms een onaangenaam gevoel. Meestal verwijdert de verpleegkundige de katheter de dag na de operatie.

Controle van je bloed

Je krijgt één keer per dag een injectie onder de huid van je buik of bovenbeen met een bloedverdunnend middel. Dit doen we om trombose te voorkomen. Vaak nemen we de dag na de operatie bloed af om te kijken of je bloedarmoede hebt. Als dat zo is, praat de arts met je over een bloedtransfusie of het gebruik van ijzertabletten.

De eerste dagen na de keizersnede

De eerste dagen ben je vaak nog slap en wat duizelig als je opstaat; dat wordt daarna steeds minder. Na één of twee dagen beginnen je darmen weer te werken. Je buik is vaak nog opgezet en je kunt pijnlijke krampen hebben. De dag na de operatie begin je meestal met eten. Dit hangt ervan af of je misselijk bent en of je darmen weer werken.

Naweeën

Kort na de keizersnede heb je pijn aan de wond en soms pijnlijke naweeën. Hiervoor krijg je pijnstillers. Je buik doet vaak pijn, niet alleen rond het litteken maar ook hoger, tot aan je navel. Bij het hechten van de huid gebruiken we meestal materiaal dat uit zichzelf oplost. Het hoeft niet te worden weggehaald. Andere hechtingen of nietjes verwijderen we meestal ongeveer een week na de operatie.

Borstvoeding

Na een keizersnede kun je borstvoeding geven. Het maakt niet uit of de keizersnede gepland was of niet. Ook het krijgen van narcose of een ruggenprik maakt niet uit. Wel is de conditie van je kind belangrijk. Als je kind in de couveuse ligt, kun je kolven. Je kunt de melk dan met een flesje geven.

Voedingsproblemen

Heeft je kind voedingsproblemen? Dan kunnen we de melk via een sonde geven. Dat is een dun slangetje dat in de maag van het kind uitkomt.

Borstvoeding

Gaat alles goed met je baby? Dan kun je bij een ruggenprik gebruikmaken van de eerste zuigreflex vlak na de geboorte en je kind meteen borstvoeding geven. Na narcose kun je je kind meestal de borst geven. Zo start de melkaanmaak en krijgt je kind meteen de eerste voeding. De eerste dag is je kind voeden terwijl je ligt vaak het prettigst.

Ontslag

Als er geen medische reden is om langer te blijven, mag je de derde dag na de keizersnede naar huis.

Informatiefolders

  • U heeft een keizersnede achter de rug en krijgt het advies het de eerste zes weken thuis ‘rustig aan te doen’. Voor iedereen heeft dit begrip een andere betekenis; de één kan meer dan de ander. bekijk het pdf-bestand


Risico's Wat kan er gebeuren?

Iedere operatie brengt risico's met zich mee, ook een keizersnede. Ernstige complicaties zijn gelukkig zeldzaam. Zeker als je gezond bent. Er zijn een aantal complicaties die het meest voorkomen.

lees meer

Risico's Wat kan er gebeuren?

Elke operatie brengt risico's met zich mee, ook een keizersnede. Ernstige complicaties zijn gelukkig zeldzaam, zeker als je gezond bent. De meest voorkomende complicaties zijn:
  • bloedarmoede
  • blaasontsteking
  • nabloeding in de buik
  • bloeduitstorting in de operatiewond
  • infectie
  • trombose
  • beschadiging van de blaas
  • darmen die niet goed op gang komen (ileus)

De volgende bevalling

Wil je na een keizersnede weer zwanger worden? Dan adviseren we om een jaar te wachten. Dan kan het litteken in je baarmoeder goed genezen. Soms is bij een volgende bevalling weer een keizersnede nodig. Dit hangt van de reden van de keizersnede. Je kunt dit met je arts bespreken bij de nacontrole. Na een keizersnede, moet je bij vervolgzwangerschappen altijd in het ziekenhuis bevallen. Dit vanwege medische redenen.

Verwerken

Iedere vrouw beleeft een keizersnede op haar eigen manier. Sommige vrouwen zijn teleurgesteld dat ze geen normale bevalling hebben gehad, omdat ze door de narcose de geboorte van hun kind niet bewust mee hebben gemaakt. Andere vrouwen hebben moeite om aan hun kind te wennen. We raden je aan om over deze gevoelens te praten met je partner of met vrienden/familie. Of bij een volgende zwangerschap met je gynaecoloog, verloskundige of huisarts. Sommige vrouwen helpt het om met andere vrouwen te praten die hetzelfde hebben meegemaakt. Je kunt hiervoor contact opnemen met de Vereniging Keizersnede Ouders.

Lokale en regionale anesthesie Plaatselijke verdoving

Bij regionale anesthesie wordt een gedeelte van uw lichaam (een regio), zoals uw arm, been of onderlichaam tijdelijk verdoofd. Bij lokale anesthesie wordt een klein stukje huid plaatselijk verdoofd, bijvoorbeeld om een wond te hechten.

Meer informatie

Lokale en regionale anesthesie Plaatselijke verdoving

Bij regionale anesthesie wordt een gedeelte van uw lichaam (een regio), zoals uw arm, been of onderlichaam tijdelijk verdoofd. Vaak wordt dan gebruik gemaakt van een echoapparaat. Tijdens de ingreep bent u bij bewustzijn. Soms wordt deze vorm van anesthesie gecombineerd met sedatie. Om een gedeelte van uw lichaam te verdoven, injecteert de anesthesioloog een verdovend middel rond de zenuwen die op pijn reageren. Meestal zijn de zenuwen die ander gevoel en bewegen mogelijk maken ook tijdelijk uitgeschakeld.

Ruggenprik
  • Spinaal
    Bij spinale anesthesie verdoven we uw hele onderlichaam. U krijgt een injectie laag onderin uw rug. De verdovingsvloeistof komt dan in de ruggenmergvloeistof terecht. Op deze plaats zitten zenuwen die naar het onderlichaam lopen. De verdoving zorgt ervoor dat het hele onderlichaam eerst warm en daarna gevoelloos wordt. Na een tijdje kunt u uw benen niet meer bewegen. Ook voelt u het niet als uw blaas vol raakt. De anesthesioloog let hier op. Soms is het nodig om na de ingreep de blaas te legen met blaaskatheter. 
  • Epiduraal
    Bij epidurale anesthesie krijgt u een injectie in uw rug op de hoogte van de plek waar u geopereerd wordt. Op die plek brengen we meestal ook een infuusslangetje in waarmee we tijdens en na de operatie extra verdovingsvloeistof kunnen toedienen. Omdat de verdoving ook de zenuwen naar de blaas kan verdoven, krijgt u een blaaskatheter.
Bijwerkingen
  • Onvoldoende pijnstilling
    Het kan gebeuren dat de verdoving niet voldoende werkt. U krijgt als het mogelijk is extra verdoving. Helpt dat niet dat dan zal de anesthesioloog samen met u een andere vorm van verdoving kiezen, bijvoorbeeld algehele anesthesie.
  • Lage bloeddruk / trage hartslag
    Door de ruggenprik daalt uw bloeddruk. Soms wordt ook uw hartslag traag. Dit merkt u door een duizelig of flauw gevoel. Daarom houdt de anesthesioloog uw hartslag en bloeddruk nauwkeurig in de gaten. Geef het zelf ook aan als u zich niet goed voelt. De anesthesioloog kan direct medicijnen toedienen om de bloeddruk te verhogen en de hartslag te versnellen.
  • Hoofdpijn
    Na een ruggenprik krijgt u soms hoofdpijn. Dit heeft te maken met te lage druk in de ruggenmergsvloeistof. Deze hoofdpijn is anders dan een ‘gewone’ hoofdpijn omdat de pijn minder wordt bij plat liggen en verergert bij overeind komen. Meestal verdwijnt ze hoofdpijn binnen een week. Is de hoofdpijn zo hevig dat u in bed moet blijven, neem dan contact op met de afdeling Anesthesiologie.
Verdoving van een arm of been
Als alleen (een gedeelte van) uw arm of been wordt verdoofd, krijgt u een injectie met verdovingsvloeistof vlakbij de zenuw(en) van het operatiegebied. Het betreffende lichaamsdeel kan warm worden en gaan tintelen. Geleidelijk aan kunt u het niet meer bewegen.
Als u na de operatie weer naar huis gaat, en de verdoving is nog niet uitgewerkt, moet u extra voorzichtig zijn. Zonder dat u het voelt, kan u dit lichaamsdeel beschadigen. Bij een ingreep aan uw arm of hand is het verstandig een mitella te dragen.

Bijwerkingen
  • Onvoldoende pijnstilling
    Het kan gebeuren dat de verdoving niet voldoende werkt. U krijgt als het mogelijk is extra verdoving. Helpt dat niet dat dan zal de anesthesioloog samen met u een andere vorm van anesthesie kiezen. Bijvoorbeeld extra pijnstillers of algehele anesthesie. 
  • Na de operatie
    Het is normaal dat u na de behandeling tintelingen voelt in uw arm of been. Dit komt meestal omdat de verdoving nog niet helemaal is uitgewerkt. Ook kan het zijn dat de zenuw door de verdoving wat geïrriteerd is geraakt.
  • Toxische reacties
    Tijdens of na het aanbrengen van de verdovingsvloeistof kan een deel hiervan in uw bloed terechtkomen. Dit merkt u door een metaalachtige smaak, tintelingen rond de mond, oorsuizen of een onrustig gevoel.
Als de verdoving is uitgewerkt krijgt u langzaam weer gevoel en kunt u weer bewegen. Uw wond zal geleidelijk aan pijn gaan doen. Hiervoor krijgt u pijnstillers.

Onze mensen

inloggen