Wat is het Koolen-de Vriessyndroom?
Het Koolen-de Vries-syndroom (KdVS) is een zeldzame erfelijke aandoening. Mensen met dit syndroom hebben vaak een lage spierspanning (slappe spieren) en jonge baby’s kunnen moeite hebben met drinken. Ook komen leerproblemen en een achterstand in de ontwikkeling van taal en spraak vaak voor.
lees meerWat is het Koolen-de Vriessyndroom?
Het Koolen-de Vries-syndroom (KdVS) is een zeldzame erfelijke aandoening. Mensen met dit syndroom hebben vaak een lage spierspanning (slappe spieren) en jonge baby’s kunnen moeite hebben met drinken. Ook komen leerproblemen en een achterstand in de ontwikkeling van taal en spraak vaak voor. De meeste mensen met KdVS hebben een milde tot matige verstandelijke beperking.
Ongeveer 1 op de 3 mensen met KdVS heeft epilepsie.
Andere kenmerken die vaker voorkomen zijn:
- bepaalde uiterlijke kenmerken
- verziendheid (minder goed dichtbij kunnen zien)
- slechthorendheid
- soepele gewrichten, platvoeten of een kromme rug (scoliose)
Kinderen en volwassenen met KdVS zijn vaak sociaal, vrolijk en vriendelijk. Toch komen ook gedragsproblemen voor, zoals druk- of dwangmatig gedrag.
Aangeboren afwijkingen
Sommige kinderen hebben aangeboren afwijkingen, bijvoorbeeld:
- niet-ingedaalde zaadballen bij jongens
- heupdysplasie (een afwijking van het heupgewricht)
- hartafwijkingen (zoals een gaatje in de hartwand)
- of afwijkingen aan blaas en urinewegen
Wat is de oorzaak van het Koolen-de Vries syndroom?
Het KdVS ontstaat door een kleine verandering in het erfelijk materiaal (DNA). Meestal mist er een klein stukje van chromosoom 17. Dat stukje heet 17q21.31. Soms zit de verandering in één specifiek gen, het KANSL1-gen.
Chromosomen bevatten onze erfelijke informatie en regelen hoe ons lichaam werkt. Elke cel heeft 46 chromosomen, verdeeld over 23 paren. Bij vrouwen bestaat het laatste paar uit twee X-chromosomen, bij mannen uit één X- en één Y-chromosoom. Het ontbreken van erfelijk materiaal noemen we een deletie. Omdat het vaak om een heel klein stukje gaat, wordt dit een microdeletie genoemd.
Zowel de deletie van 17q21.31 als een afwijking in het KANSL1-gen veroorzaken hetzelfde ziektebeeld: het Koolen-de Vries-syndroom.
Het KANSL1-gen zorgt voor de aanmaak van het KANSL1-eiwit. Dat eiwit helpt om andere genen aan of uit te zetten. Door onderzoek met stamcellen kunnen wetenschappers steeds beter begrijpen wat er in het lichaam niet goed werkt bij KdVS.
Erfelijkheid
Bijna altijd is het kind met KdVS de enige in de familie met deze aandoening. De verandering in het erfelijk materiaal is dan nieuw ontstaan. Ouders hebben de afwijking dus niet zelf.
lees meerZorgpad: onderzoek, controles en begeleiding
Controles en begeleiding
Vaak is een heel team van specialisten betrokken bij de zorg voor uw kind. De controles vinden meestal plaats op vaste momenten.
lees meerControles en begeleiding
Kinderen met KdVS worden regelmatig gecontroleerd door hun eigen kinderarts. Deze kijkt naar de ontwikkeling, voeding, spraak, zicht, gehoor en motoriek. Ook wordt het hart en de blaas vaak onderzocht. Bij epilepsie is begeleiding door een neuroloog aangewezen en vanwege de lage spierspanning en de taal- en spraakproblemen is fysiotherapie en logopedie belangrijk.
-
Uw kind kan voor expertise en advies verwezen worden naar de Poli Zeldzaam. U komt hiervoor samen met uw kind een dag naar de polikliniek van het Amalia kinderziekenhuis. Op één dag hebben jullie meerdere afspraken met zorgverleners van verschillende specialismen. Deze zorgverleners werken met elkaar samen. Dit noemen we een multidisciplinair team.
Op deze dag spreken jullie één of meer van de volgende zorgverleners:
-
de klinisch geneticus (expert in erfelijke aandoeningen)
-
de kinderarts
-
de fysiotherapeut
-
de logopedist
-
de neuropsycholoog (voor onderzoek naar gedrag, aandacht en leren)
-
orthodontist
Zo hoeft u niet steeds naar verschillende plekken, maar komt de zorg zoveel mogelijk samen op één dag. Deze specialisten werken met elkaar samen. Dit noemen we een multidisciplinair team.
![]()
Uw zoon of dochter kan worden verwezen naar de Poli Zeldzaam door de huisarts of een specialist (vaak de kinderarts). De verwijzing wordt beoordeeld door het team van Klinische Genetica. Als de diagnose is gesteld, dan wordt uw kind ingepland voor verschillende afspraken op de Poli Zeldzaam.
Voorbereiding
Enkele weken voor het bezoek wordt u gebeld door een medewerker van de afdeling Klinische Genetica. In dit telefoongesprek bespreken we:
- wat u kunt verwachten tijdens het bezoek
- welke vragen en formulieren belangrijk zijn
- en of er aanvullende informatie nodig is
Vlak voor de afspraak volgt meestal nog een tweede telefoontje om alles door te nemen. Soms wordt ook besproken of een overnachting in Nijmegen handig is, bijvoorbeeld als u van ver komt.
De afspraak
Tijdens de afspraak doen we verschillende onderzoeken. Welke onderzoeken we doen is afhankelijk van de leeftijd van uw kind. Voor jonge kinderen ligt de nadruk op motoriek, spraak en ontwikkeling. Bij oudere kinderen komt daar bijvoorbeeld gedrag, leren en lichamelijke gezondheid bij.
Soms nemen we bloed af voor onderzoek. Bij kinderen gebruiken we altijd een verdovende crème of pleister, zodat uw kind er bijna niets van voelt. Hier leest u hoe u uw kind kunt helpen tijdens de bloedafname. Soms maken we ook een 3D-foto van het gezicht. Deze foto is niet belastend en helpt bij het beter begrijpen van het syndroom.
Na de afspraken bespreken de betrokken specialisten de bevindingen samen in een multidisciplinair overleg (MDO), zodat alle informatie goed wordt afgestemd.
Als ouder kunt u rekenen op:
- persoonlijke en deskundige zorg, afgestemd op uw kind
- één aanspreekpunt voor verschillende specialismen
- controle op belangrijke momenten in de ontwikkeling
- praktische ondersteuning bij vragen over zorg, gedrag of ontwikkeling
- en een betrokken team dat voortdurend werkt aan nieuwe kennis en betere zorg
Advies en vervolg
Na het bezoek krijgen jullie een samenvattende brief (de eindbrief). Hierin staan:
- de belangrijkste bevindingen van de onderzoeken,
- adviezen voor behandeling, begeleiding en eventuele vervolgonderzoeken,
- en het plan voor toekomstige controleafspraken. Bij veel kinderen is de controle op vaste momenten, bijvoorbeeld:
- kort na de diagnose
- rond 4 jaar
- bij het begin van de puberteit
- en bij de overgang naar de volwassenenzorg.
-
-
We werken volgens een shared care-model. De zorg vindt zoveel mogelijk dichtbij huis plaats. Dit kan zijn bij een regionaal aanspreekpunt of ziekenhuis. Ons expertisecentrum neemt de zorg niet over, maar geeft advies en ondersteunt het regionale team. Bij spoedgevallen neemt u daarom altijd eerst contact op met het regionale aanspreekpunt of ziekenhuis.

Opgroeien tot een volwassene transitie
Vanaf 12 jaar helpen we tieners stap voor stap zelfstandiger te worden, zodat ze op hun 18e steeds meer zelf kunnen beslissen en regelen als het om hun ziekte en behandeling gaat.
naar paginaExpertisecentrum voor aangeboren ontwikkelingsstoornissen
Het Radboudumc Expertisecentrum voor Aangeboren Ontwikkelingsstoornissen is in Nederland het landelijk expertisecentrum voor het KdVS.
naar pagina